De Korea-strijder gezien door een compagniecommandant (Uittreksel van de ‘Congo-Soir’ van 12 Februari 1955)
Ik beschouw het als een voorrecht in mijn militaire leven, de gelegenheid te hebben gehad in contact te leven met de manschappen die KOREA hadden gekozen.
Ik wens niet de beweegredenen te onderzoeken die hen hebben aangezet zich voor het bataljon te melden, maar de soms dubbelzinnige overwegingen die ik dikwijls met betrekking tot deze manschappen heb moeten horen, werden alle ingegeven door een volledige miskenning van hun eigenlijke karakters.
Graag geef ik toe wat majoor-geneesheer GUERISSE zegde in een van zijn voordrachten over Korea : “Het waren allen natuurlijk geen engeltjes, maar welke mensengemeenschap kan er zich op beroemen niets dan engelen in haar midden te hebben ?
De schitterende dienstprestaties van het Vrijwilligerskorps veroorloven het me over de gevechtswaarde van deze eenheid niet te spreken maar, verscholen achter dit mekanisme van taktische operaties, ligt het hart van de manschappen die in de strijd gewikkeld zijn, ligt hun gevoeligheid, hun moed, hun zwakheid en hun liefde voor het leven. Gedurende de actie hebben onze manschappen blijk gegeven van dit alles, met een ideaal dat dikwijls zichzelf niet kende.
De lange slapeloze nachten, de dood van een kameraad. de spanning die een patrouille beleefde in de vijandelijke linies, de onbezorgde rustperiodes, de sneeuw en de modder van de rijstvelden, dat alles gaf hun een kalme oprechtheid waardoor hun hart van twintig jaar voor ons kwam openliggen, zodat wij. die in hun midden leefden, de grote waarde van hun gevoelens leerden kennen.
Twee maanden training te Leopoldsburg hadden van dit mengsel van commando’s. parachutisten, matrozen, infanteri, vliegers en burgers een homogene eenheid gemaakt, waarin de geestdrift zou goedmaken wat achterwege was gebleven in een korte periode van voorbereiding tot het werkelijke gevecht.
Heel wat manschappen en officieren lieten het burgerpak en een vaste betrekking varen voor de battle-dress en het onzekere van een verre oorlog.
De reis van tweeënveertig dagen op een overbevolkte Kamina en het verblijf in de Amerikaanse transitkarapen zouden de geest van saamhorigheid bij de eenheden verhogen en de autoriteit der meerderen verstevigen.
Onze opvoeding in een democratisch milieu bereidt onze karakters niet voor op een oorlog, vooral op een oorlog in Korea die op 18.000 kilometer van het vaderland wordt uitgevochten tegen een vijand, die door onze vrije pers van welke strekking ook, werd voorgesteld als een politiek gedopeerd ideologist die buitengewone aanvalseigenschappen bezat.
Het frontleven, de vuurdoop en het gedrag van onze manschappen in het gevecht zouden al vlug ons vertrouwen verstevigen in de morele deugden en beroepseigenschappen van onze soldaten die nooit tijdens de operaties tekens gaven van een minderwaardigheidsgevoel ten overstaan van de Chinese troepen, die nochtans beter aangepast waren aan klimaat en land en die een faam hadden welke noodlottig had kunnen zijn voor onze jongens.
Sinds de oorlog in Korea hebben geleerde militairen zich bezig gehouden met het ontleden dezer gevechten ten einde er enig tactisch of strategisch onderricht uit te halen. Zoals meestal in deze gevallen waren de uitgedrukte meningen van uiteenlopende aard en velen hebben het voorzichtige besluit getrokken dat deze oorlog “een speciaal karakter” had.
Maar hebben de specialisten van de zandbak wel voldoende rekening gehouden met de factor “mens” die in zijn modderpoel leeft gedurende de ijskoude nachten op een akelige bergtop; hebben ze de morele waarde gemeten van de fuselier die de bestorming van een stelling inzet tegen een fanatieke vijand terwijl reactievliegtuigen, moderne tanks, een koude moesson of ijskoude sneeuw de oorlog terugbrengen tot een gevecht van man tegen man.
Is deze ‘speciale’ oorlog tegen een even speciale vijand niet een microcosmos van een toekomend conflict ?
Indien de oorlog in Korea niets nieuws bracht voor wat de militaire wetenschap betreft, dan moet men toch bekennen dat deze oorlog de waarde van de Belgische strijder bewezen heeft die, zonder zich te laten beïnvloeden door ingewikkelde en steeds gerieflijke redeneringen, zich eenvoudig in het gevecht wierp, omdat hij geoordeeld had dat de te verdedigen zaak de moeite loonde om zijn jonge leven van twintig jaar op te offeren.
Dit leger van de U.N.O. dat door politieke redevoeringen zo moeilijk te verwezenlijken schijnt, werd door onze soldaten en door al die van het ir leger bijna onmiddellijk werkelijk verwezenlijkt.
Vastgeankerd in hun frontvak, waar ze de aanvallen van de Roden, tegenhielden, hebben deze soldaten op onze vaandels een lichtende eervolle vermelding geschreven die tevens de talrijke gesneuvelden in deze verre gebieden terug voor de geest oproept; deze vermelding is “HOOP”.
Hoop en vertrouwen in de Belgische jeugd die nog kan sterven voor een rechtvaardige zaak, zoals dit het geval was met IMJIN, CHATKOL en BROKEN ARROW, waar soldaten van bij ons streden met de taaiheid die ons zo nauw aan het hart ligt, omdat ze de voortzetting is van de overlevering onzer voorgangers aan de IJZER en aan de LEIE.
Kapitein Jean MILITIS
3′ Bn Para-Commando
Basis Kamina
Commandant van de B-Compagnie, VCK
Le combattant Coréen vu par un commandant de compagnie (Extrait du ‘Congo-Soir’ du 12 février 1955)
Je considère comme un privilège dans ma vie militaire d’avoir eu l’occasion de vivre au contact avec les troupes qui avaient choisi la CORÉE.
Je ne veux pas examiner les motifs qui les ont poussés à s’enrôler dans le bataillon, mais les considérations parfois ambigües, que j’ai eu souvent à entendre à propos de ces hommes, ont toutes été motivées par une complète méconnaissance de leur propre caractère.
J’admets volontiers ce que disait le Médecin-Major GUERISSE dans une de ses conférences sur la Corée : « Certes, ils n’étaient pas tous des anges, mais quelle communauté humaine peut se vanter de n’avoir que des anges en son sein ?
La superbe prestation de service du Corps des Volontaires me permet de ne pas parler de la valeur combattive de cette unité. Derrière ce mécanisme d’opérations tactiques se cache le cœur des hommes engagés au combat, leur sensibilité, leur courage, leur faiblesse et leur amour pour la vie. Au cours de l’action, nos hommes ont démontré tout cela, avec un idéal qui souvent n’est pas reconnu.
Les longues nuits blanches, la mort d’un camarade, la tension d’une patrouille dans les lignes ennemies, les périodes de repos insouciantes, la neige et la boue des rizières : tout leur a donné une sérénité calme qui a ouvert leur cœur de vingt ans devant nous ; pour que nous, qui vécûmes au milieu d’eux, apprennent la grande valeur de leurs sentiments.
Deux mois d’entrainement à Leopoldsburg ont transformé ce mélange de commandos, parachutistes, marins, fantassins, aviateurs et civils en une unité homogène, dans laquelle l’enthousiasme suppléerait à ce manque de temps entre la préparation jusqu’à la bataille proprement dite.
Beaucoup d’hommes et d’officiers ont abandonné le costume civil et un emploi permanent pour la tenue de combat et l’incertitude d’une guerre lointaine.
Le voyage de quarante-deux jours sur un Kamina surpeuplé et le séjour dans les camps de transit américaines augmenteraient l’esprit de corps entre les unités et renforceraient l’autorité des supérieurs.
Notre éducation dans un milieu démocratique ne prépare pas nos caractères à une guerre, surtout à une guerre en Corée livrée à 18 000 kilomètres de la patrie contre un ennemi, présenté par notre presse libre en tous genres, comme politiquement dopé idéologiquement et qui possédait des capacités d’attaque extraordinaires.
La vie au front, le baptême du feu et le comportement de nos hommes au combat allaient bientôt cimenter notre confiance dans les vertus morales et les qualités professionnelles de nos soldats, qui n’ont jamais montré pendant les opérations aucun signe de sentiment d’infériorité envers les troupes Chinois, qui étaient pourtant mieux adaptées au climat et au terrain, qui avaient de plus une réputation qui aurait pu être fatale à nos garçons.
Depuis la guerre de Corée, des experts militaires décortiquent ces batailles pour en tirer des enseignements tactiques ou stratégiques. Comme c’est généralement le cas, les opinions exprimées sont fort variées et beaucoup ont conclu que cette guerre avait “un caractère spécial”.
Mais les spécialistes du bac à sable ont-ils suffisamment tenu compte du facteur “humain” qui survit dans sa mare boueuse durant les nuits glaciales sur un sommet lugubre ; ont-ils mesuré la valeur morale du fusilier qui prend d’assaut une position, contre un ennemi fanatique, tandis que les avions à réaction, les chars modernes, une mousson froide ou une neige glacée réduisent la guerre à un combat corps à corps.
Cette guerre « spéciale » contre un ennemi tout aussi spécial n’est-elle pas le microcosme d’un conflit à venir ?
Si la guerre de Corée n’a rien apporté de nouveau en matière de science militaire, il faut tout de même admettre que cette guerre a prouvé la valeur du combattant belge qui, sans se laisser influencer par des raisonnements compliqués, s’est simplement lancé dans le combat .. Parce qu’il avait jugé que la cause à défendre valait la peine de sacrifier sa jeune vie de vingt ans.
Cette armée de l’O.N.U. qui semble, au travers des discours politiques si difficile à réaliser, a été presque immédiatement construite par nos soldats et par tous ceux des armées alliées.
Ancrés au front, où ils ont stoppé les assauts des Rouges, ces soldats ont inscrit sur nos bannières une louange lumineuse, qui rappelle aussi les nombreux morts dans ces contrées lointaines ; cette inscription est “ESPOIR”.
Espoir et foi en la jeunesse belge qui peut encore mourir pour une cause juste, comme ce fut le cas à IMJIN, CHATKOL et BROKEN ARROW, où des soldats de chez nous se sont battus avec la ténacité qui nous tient tant à cœur, juste continuation de la tradition de nos prédécesseurs sur l’YZER et la LYS.
Capitaine Jean MILITIS
3° Bn Para Commando
Base de Kamina
Commandant de la compagnie B, VCK